Vijf jaar cel in eerste aanleg, vrijspraak in hoger beroep. In de Drutense brandzaak bleek de locatie van een telefoon onvoldoende om de aanwezigheid van zijn eigenaar te bewijzen. Het ging om brandstichting bij een winkel. De telefoon van de verdachte was in de omgeving. Dat was belastend, maar het hof moest vaststellen wie het toestel daar bij zich had. Advocaat Kötter bepleitte vrijspraak wegens onvoldoende bewijs. De verdedigde vraag was concreet: verbinden de gegevens alleen het apparaat, of ook deze verdachte met de brand? De verdachte verklaarde dat hij de telefoon had uitgeleend en zelf thuis was. Verklaringen van een medeverdachte en zijn moeder ondersteunden de kern. Verschillen betroffen volgens het hof geen cruciale punten. Het hof kon niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat deze verdachte één van de daders was. Dat betekent niet dat het alibi als enige mogelijke waarheid is bewezen. Het arrest maakt het vrijspraakverweer en de rol van Kötter controleerbaar. Wie het alibi ontdekte of voorbereidde, vermeldt de bron niet. Die bijdrage kunnen we dus niet aan iemand toeschrijven. Het hof benadrukte dat de vrijspraak niets afdoet aan het leed van de slachtoffers. De schadevorderingen werden in deze strafprocedure niet inhoudelijk toegewezen. Een civiele route bleef mogelijk. De betekenis zit in de bewijsverbinding: betrouwbare telefoondata beantwoorden niet vanzelf de vraag wie het toestel gebruikte. Lees de volledige analyse op Strafrecht in Nederland.