Rechtspraak Redactionele analyse

Beverwijk: waarom de vervolging van één verdachte strandde

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
29 oktober 2026
Meer deelopties
WhatsAppLinkedInE-mail

De gefilmde geweldszaak in Beverwijk heeft op 29 oktober 2026 tot sterk verschillende beslissingen geleid. Twee verdachten kregen ieder twee jaar gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van poging tot doodslag. Bij een derde verdachte verklaarde de rechtbank Noord-Holland het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Zijn advocaat Wout Morra had die uitkomst bepleit, omdat een andere persoon met vergelijkbare aanwijzingen van betrokkenheid buiten de vervolging was gebleven.

Die derde beslissing vraagt om een eigen uitleg. De rechtbank stelde daarmee niet vast dat deze verdachte niets had gedaan. Zij oordeelde dat het OM zijn verschillende behandeling van vergelijkbare gevallen onvoldoende kon rechtvaardigen. Het onderscheid tussen een oordeel over schuld en een oordeel over de vervolging bepaalt hoe dit vonnis moet worden gelezen. Het vonnis over de niet-ontvankelijkheid, onderdeel 2.

Drie beslissingen over dezelfde gewelddadige gebeurtenis

Op 6 september 2025 werd in Beverwijk een man door een groep jongeren aangevallen. De gebeurtenis werd gefilmd en verspreid. De rechtbank beschrijft in de twee veroordelende vonnissen geweld tegen een weerloos slachtoffer dat op de grond lag. Daarbij werd met kracht tegen het hoofd geschopt. De rechters vonden dat de twee veroordeelde verdachten bewust de aanmerkelijke kans op zijn dood hadden aanvaard.

De verspreiding van de beelden maakte de aanval extra vernederend. De nasleep zorgde bovendien voor grote maatschappelijke onrust. In Beverwijk en omgeving werden veiligheidsmaatregelen getroffen en gingen scholen en sportclubs dicht. In de twee veroordelende zaken legde de rechtbank, naast de deels voorwaardelijke gevangenisstraffen, contactverboden en reclasseringsvoorwaarden op. De verdachten moeten samen ruim 41.000 euro schadevergoeding betalen. De twee veroordelende vonnissen, tweede zaak.

Dat de gevolgen zo ernstig waren, verklaart de aandacht voor de zaak. Het maakt ook begrijpelijk waarom een beslissing over de ontvankelijkheid ongemakkelijk kan voelen. Voor het slachtoffer eindigt daarmee een strafprocedure zonder inhoudelijke beslissing over de beschuldigingen tegen deze derde verdachte. Juist daarom moet duidelijk zijn welk concrete probleem de rechtbank in de vervolging aantrof.

Morra legde een concrete vergelijking op tafel

Morra voerde aan dat zijn cliënt wel werd vervolgd, terwijl een andere persoon niet eens als verdachte werd aangemerkt. Het bleef niet bij de algemene opmerking dat er meer mensen bij het incident aanwezig waren. De verdediging wees op twee meldingen bij Meld Misdaad Anoniem, waarin die andere persoon met naam en adres werd genoemd. Ook verklaringen van medeverdachten wezen hem aan als filmer. Er waren daarnaast aanwijzingen dat de filmer zelf geweld gebruikte.

De rechtbank vergeleek vervolgens de aanknopingspunten tegen beide personen. Op de beelden waren de gezichten van zowel Morra's cliënt als de andere persoon niet zichtbaar. Dat de filmer moeilijk herkenbaar was, onderscheidde zijn situatie dus niet zonder meer van die van de wel vervolgde verdachte. De naam van die andere persoon kwam bovendien terug in verklaringen en meldingen, terwijl de naam van Morra's cliënt door de medeverdachten niet werd genoemd.

Ook de eigen beschrijving van de beelden door de politie was van belang. Daarin stonden trappende bewegingen van de vermoedelijke filmer naar het hoofd van het slachtoffer. Die dossiergegevens maakten de vergelijking concreet: de rechtbank kon nagaan welke aanwijzingen bestonden, tegen wie ze zich richtten en wat het OM daar vervolgens mee had gedaan. Vonnis, standpunt van de verdediging en oordeel van de rechtbank.

Het OM heeft keuzevrijheid, maar moet verschil kunnen uitleggen

Het OM beriep zich op het opportuniteitsbeginsel. Politie en justitie maken keuzes over wie als verdachte wordt aangemerkt en wie wordt vervolgd. De rechtbank erkende de zelfstandige beslissingsbevoegdheid van het OM op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering. De rechter beoordeelt zo'n vervolgingskeuze terughoudend.

Die terughoudendheid betekent dat een verschil in behandeling niet vanzelf tot het stranden van een strafzaak leidt. Een andere bewijspositie of een objectieve rechtvaardiging kan verschil maken. In dit vonnis draait het er juist om dat de rechtbank vergelijkbare aanknopingspunten zag en het OM geen objectieve rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling had gegeven. Volgens de rechtbank was sprake van een aperte onevenredigheid die in strijd kwam met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel.

De betekenis van Morra's verweer ligt in die toetsbare vergelijking. Het verweer dwong tot een antwoord op een vraag die naast de geweldsbeelden stond: waarom wordt met deze aanwijzingen de ene persoon wel vervolgd en de andere niet? Het openbare vonnis laat zien dat de rechtbank de vergelijking inhoudelijk onderzocht en het bezwaar honoreerde. Daarmee kreeg de door hem bepleite vergelijking een beslissende plaats in het vonnis.

De vergelijking ging over aanknopingspunten, niet over bewezen schuld

De rechtbank vergeleek uitdrukkelijk de hoeveelheid aanknopingspunten voor betrokkenheid. Dat is een andere vraag dan of de twee personen uiteindelijk voor hetzelfde feit veroordeeld hadden kunnen worden. De volgende vergelijking uit het vonnis maakt dat verschil zichtbaar:

DossiergegevenWel vervolgde verdachteNiet-vervolgde andere persoon
Gezicht zichtbaar bij het geweldVolgens de rechtbank niet zichtbaarEveneens niet zichtbaar
Genoemd door medeverdachtenZijn naam werd volgens de rechtbank niet genoemdWel aangewezen als degene die filmde
Anonieme meldingenHet vonnis baseert de vergelijking op de aanwijzingen tegen beidenTwee meldingen noemden zijn naam en woonadres
Beschrijving van de filmer door de politieGeen vaststelling van zijn schuld via deze vergelijkingDe politie beschreef ook trappen door de vermoedelijke filmer

Vooral die laatste rij voegt iets toe aan de aanduiding ‘iemand die filmde’. In het dossier stond een beschrijving van mogelijk eigen geweld door de filmer. De vergelijking beperkte zich dus niet tot een gewelddadige deelnemer tegenover een passieve omstander met een telefoon.

De rechtbank verwijst verder naar een arrest van de Hoge Raad uit 2010 over het gebruik van een anonieme melding voor een redelijk vermoeden van schuld. Zo'n vermoeden vormt een aanknopingspunt voor opsporing; het is geen vaststelling dat een beschuldiging bewezen is. Die verschillende drempels zijn hier relevant. Het OM kon zijn keuze om de andere persoon niet als verdachte aan te merken niet uitsluitend laten steunen op het ontbreken van een herkenbaar gezicht, terwijl bij de wel vervolgde verdachte hetzelfde probleem bestond. De concrete dossiervergelijking in onderdeel 2.

Niet-ontvankelijkheid is geen vrijspraak

Een vrijspraak houdt in dat de rechter de ten laste gelegde betrokkenheid onvoldoende bewezen vindt. In deze zaak stopte de rechtbank bij de vraag of het OM de verdachte onder deze omstandigheden mocht vervolgen. Aan een inhoudelijk oordeel over zijn schuld kwam zij niet toe. Daarom zou een kop als ‘derde verdachte onschuldig verklaard’ een uitkomst suggereren die het vonnis niet bevat.

Ook de positie van de andere, niet-vervolgde persoon blijft begrensd. De rechtbank wees op aanwijzingen die de vergelijking relevant maakten. Daarmee is die persoon niet veroordeeld. De beschrijvingen van meldingen en verklaringen mogen niet worden omgezet in een eigen schuldvaststelling door een nieuwsartikel.

Het slachtoffer had in deze derde zaak een schadevordering van 45.845,44 euro ingediend. Door de niet-ontvankelijkheid van het OM werd ook het slachtoffer niet-ontvankelijk verklaard in die vordering. Dat is geen oordeel dat het slachtoffer geen schade leed. Het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte werd opgeheven. Vonnis, onderdelen 3 en 4.

De vervolgingskeuze hoort bij de verantwoording

De twee veroordelingen en de derde beslissing laten verschillende kanten van dezelfde strafrechtspleging zien. De ernst van het geweld, de schade en de verantwoordelijkheid van verdachten krijgen een plaats in het proces. Daarnaast moet de overheid kunnen uitleggen hoe zij haar vervolgingsbevoegdheid gebruikt. Een dossiergerichte verdediging kan juist dat laatste zichtbaar maken.

Deze uitspraak in eerste aanleg is van 29 oktober 2026. Of hoger beroep volgt, is bij het opstellen van deze bespreking niet vastgesteld. Voor nu is de uitkomst voor Morra's cliënt helder: de vervolging strandde op het gehonoreerde gelijkheidsverweer. Voor de bredere betekenis is de motivering minstens zo relevant. Zij maakt controleerbaar waarom de rechtbank in deze concrete zaak een grens trok aan de keuze van het OM.

Bij deze analyse

Bronnen

  1. Oorspronkelijke gerelateerde uitspraak · ECLI:NL:RBNHO:2026:14752 ↗
  2. Oorspronkelijke gerelateerde uitspraak · ECLI:NL:RBNHO:2026:14740 ↗
  3. Eigen kantoorprofiel van Wout Morra ↗
  4. Rechtbank Noord-Holland · 29 oktober 2026 · ECLI:NL:RBNHO:2026:14755 ↗

Verder lezen

Een redactionele bespreking van Strafrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →