Rechtspraak Redactionele analyse

Omroepstalking: waarom tbs de grenzen van de beschuldiging niet wegneemt

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
29 oktober 2026
Meer deelopties
WhatsAppLinkedInE-mail

Wie de omroepstalkingzaak alleen samenvat als ‘tbs voor stalking en doxing’, mist vrijwel iedere juridische grens die de rechtbank op 29 oktober 2026 trok. Doxing werd niet bewezen. Voor een deel van de stalkingbeschuldiging was de dagvaarding nietig; een ander deel kon wegens het ontbreken van een vervolgingswens niet worden vervolgd. Uiteindelijk bleef belaging van één persoon over. Voor dat bewezen feit werd de verdachte wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid ontslagen van alle rechtsvervolging, mét tbs met dwangverpleging.

Dat is geen tegenstelling. Het vonnis laat zien waarom de omvang van een verontrustend dossier niet dezelfde is als de omvang van een juridisch houdbare beschuldiging. De verdediging door Tom van Assendelft de Coningh bracht verschillende van die grenzen ter discussie. Sommige verweren slaagden, andere niet. Juist die afbakening verdient aandacht. Rechtbank Zeeland-West-Brabant, onderdelen 3 tot en met 6.

Een omroep en een medewerker zijn juridisch niet hetzelfde slachtoffer

De tenlastelegging betrof omroepen, medewerkers en familieleden. De verdediging voerde aan dat een rechtspersoon niet de persoonlijke levenssfeer heeft waarop het belagingsverbod ziet. Het OM wees op rechtspraak waarin aan rechtspersonen wel een persoonlijke levenssfeer werd toegekend.

De rechtbank koos voor een beperkte uitleg binnen deze strafbepaling. Belaging staat in de titel over misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid. De wetsgeschiedenis spreekt over bewegingsvrijheid en de vrijheid van doen en laten. Daarin zag de rechtbank bescherming van natuurlijke personen. Zij verklaarde de dagvaarding nietig voor zover deze de rechtspersonen betrof.

Dit is een oordeel over de belagingsbepaling in deze procedure. De rechtbank verwierp de vergelijking met een arrest over observatie als opsporingsmiddel: bescherming tegen overheidsonderzoek beantwoordt niet automatisch dezelfde vraag als wie slachtoffer van belaging kan zijn. Het verweer dat de groep medewerkers en familieleden te onduidelijk was omschreven, slaagde daarentegen niet. Het dossier maakte volgens de rechtbank voldoende duidelijk op wie de beschuldiging zag.

De wens om vervolging te voorkomen kan zelf een beschermd belang zijn

Voor belaging is een klacht vereist. Dat vereiste houdt meer in dan de constatering dat gedrag ernstig en ongewenst was. Het geeft het slachtoffer ruimte om de nadelige gevolgen van een strafprocedure af te wegen tegen het belang van vervolging.

De betrokken medewerkers wilden volgens het dossier geen aangifte doen. Zij vreesden dat persoonlijke gegevens bekend zouden worden en dat de verdachte naar privé-adressen van henzelf of hun omgeving zou gaan. Het OM leidde uit hun opluchting over het ingrijpen van politie en justitie af dat vervolging gewenst was. De rechtbank vond dat onvoldoende. Blij zijn dat gedrag stopt, is niet hetzelfde als wensen dat een strafzaak wordt gevoerd.

Het ontvankelijkheidsverweer van de verdediging slaagde daarom voor de medewerkers en familieleden zonder vastgestelde vervolgingswens. Voor één familielid lag dat anders: hij had wel aangifte en een klacht ingediend. Het verweer over overschrijding van de klachttermijn verwierp de rechtbank in zijn specifieke omstandigheden. Dat deel van de motivering is geen algemene vrijstelling van klachttermijnen. Het vonnis moet op dit punt als een concrete rechterlijke beslissing worden gelezen, niet als advies om met een klacht te wachten. Vonnis, onderdeel 3.

Bij doxing ging het om het oogmerk, niet om een vrijbrief voor zakelijke nummers

De vrijspraak van doxing kan gemakkelijk verkeerd worden doorverteld. De rechtbank oordeelde juist dat ook een zakelijk telefoonnummer een persoonsgegeven kan zijn. Beslissend is of de informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon gaat of tot die persoon kan worden herleid. Bovendien noemt de strafbepaling ook ernstige hinder bij de beroepsuitoefening.

De verdediging stelde onder meer dat het om zakelijke nummers ging. Dat argument volgde de rechtbank dus niet. Wel vond zij onvoldoende bewijs voor het vereiste oogmerk bij het delen. De twee nummers waren ieder eenmaal in de omroepapp geplaatst. Daaruit en uit de verklaringen van de verdachte kon de rechtbank onvoldoende afleiden dat hij daarmee vrees, overlast of belemmering van het werk beoogde.

De les is preciezer dan ‘een nummer delen mag’. Een handeling kan betrekking hebben op persoonsgegevens, terwijl een specifiek bestanddeel van het strafbare feit onbewezen blijft. De vrijspraak maakt het overige gedrag niet aanvaardbaar en beslist evenmin over alle mogelijke andere rechtsgronden waarop verspreiding onrechtmatig kan zijn.

Het overgebleven stalkingfeit werd wél bewezen

Voor het familielid dat wel wilde dat vervolging plaatsvond, vond de rechtbank een stelselmatige inbreuk bewezen. De verdediging betwistte onder meer de stelselmatigheid en sprak over dertien sms-berichten in vier maanden. Volgens de rechtbank bevatte het dossier meer berichten, soms meerdere op dezelfde dag, en waren ook Facebookreacties relevant.

Verder ging de verdachte door na een stopgesprek met de politie op 31 december 2024. De rechtbank beoordeelde het contact tegen de achtergrond van de zeer grote hoeveelheid berichten aan omroepen en personen rondom die omroepen. Het uiteindelijk bewezen feit bleef echter afgebakend tot de persoonlijke levenssfeer van dit ene familielid.

Dat onderscheid voorkomt dat de gehele omvang van het dossier ongemerkt in de bewezenverklaring wordt geschoven. Context kan betekenis geven aan gedragingen; zij vervangt niet de afzonderlijke beoordeling van een concrete beschuldiging. Vonnis, onderdeel 4.

Geen strafbaarheid van de verdachte betekent niet dat geen maatregel mogelijk is

De rechtbank nam het oordeel van de gedragsdeskundigen over dat het bewezen feit de verdachte volledig niet kon worden toegerekend. Ook het OM had om volledige ontoerekeningsvatbaarheid en ontslag van alle rechtsvervolging gevraagd. Het vonnis vermeldt dat de verdediging op dat onderdeel geen standpunt innam. Deze uitkomst kan daarom niet als een door de advocaat bevochten toerekeningsverweer worden gepresenteerd.

Over de maatregel bestond wel discussie. De verdediging bestreed het gevaarscriterium, vroeg subsidiair om een zorgmachtiging en wees meer subsidiair op de wettelijke begrenzing van tbs wanneer het feit niet tegen de lichamelijke integriteit is gericht. De rechtbank vond tbs met dwangverpleging noodzakelijk. Zij nam het hoge herhalingsrisico over en achtte een zorgmachtiging onvoldoende voor het benodigde toezicht en resocialisatietraject.

De totale tbs-duur is in deze zaak wel gemaximeerd op vier jaar. Dat is een wezenlijke begrenzing, maar geen garantie dat daarna ieder toezicht eindigt: daarnaast legde de rechtbank de maatregel voor langdurig toezicht van artikel 38z Sr op. De voorwaarden en uitvoering daarvan mogen niet worden verward met een onbeperkte verlenging van deze tbs-maatregel.

Het belang van dit vonnis ligt in de opeenvolgende juridische vragen. Wie kan slachtoffer zijn, wie wenst vervolging, wat is bewezen, is het toerekenbaar en welke maatregel is toegestaan? Ernstige overlast maakt geen van die vragen overbodig. De verdediging heeft verschillende daarvan concreet aan de orde gesteld; de uitspraak laat ook zichtbaar waar de rechter haar niet volgde. Of hoger beroep wordt ingesteld, is bij publicatie niet vastgesteld.

Bij deze analyse

Bronnen

  1. Eigen kantoorprofiel van Tom van Assendelft de Coningh ↗
  2. Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 29 oktober 2026 · ECLI:NL:RBZWB:2026:10513 ↗

Verder lezen

Een redactionele bespreking van Strafrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →