Rechtspraak Redactionele analyse
Schammenkamp: waarom de hoofdhuurder werd vrijgesproken
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Uitspraakdatum
- 27 oktober 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:RBROT:2026:14746 ↗
De hoofdhuurder van de bedrijfsruimte aan de Schammenkamp is vrijgesproken van alle beschuldigingen rond de dodelijke explosie van 29 januari 2024. De rechtbank Rotterdam vond onvoldoende bewijs dat hij wist of moest weten van de activiteiten die tot de ontploffing hebben geleid. Het Openbaar Ministerie had zeven jaar gevangenisstraf geëist. Zijn advocaat Tim Scheffer had om integrale vrijspraak gevraagd.
Het vonnis van 27 oktober 2026 draait om een moeilijk onderscheid. Dat in een ruimte gevaarlijke activiteiten plaatsvinden, betekent nog niet dat iedere gebruiker daarvan op de hoogte is. De rechtbank moest bepalen wat de hoofdhuurder persoonlijk kon worden toegerekend. Juist op dat punt bleven er gaten in het dossier. Uitspraak, §2.1–2.3.
Wat de rechtbank over de explosie kon vaststellen
De explosie verwoestte bedrijfsruimten en woningen in de Rotterdamse wijk Zuidwijk. Drie mensen overleden. Een bewoner van de woning boven de bedrijfsruimte raakte ernstig gewond. De rechtbank beschrijft een pand dat door verschillende mensen werd gebruikt. De verdachte was hoofdhuurder en werkte er met zijn aannemingsbedrijf. Ook medewerkers en anderen kwamen in de ruimte.
Achter in het pand was vermoedelijk een explosief mengsel van aceton en lucht ontstaan. Aceton is zeer brandbaar en wordt gebruikt bij de bewerking van procaïne, een versnijdingsmiddel voor cocaïne. Op grond van aangetroffen voorwerpen, sporen en beelden op een telefoon achtte de rechtbank aannemelijk dat in de ruimte op enig moment procaïne was bewerkt, in ieder geval op de dag vóór de explosie. Hoe de ontploffing precies werd ontstoken, bleef onbekend.
Het eerdere vermoeden dat daar cocaïne werd bewerkt, kreeg onvoldoende steun. Er waren beperkte cocaïnesporen gevonden, maar die konden niet worden verbonden aan cocaïneverwerking in het pand of aan de verdachte. Ook voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne vond de rechtbank onvoldoende bewijs. Daarmee viel een deel van de beschuldiging al weg. Voor de andere onderdelen werd de vraag naar zijn wetenschap beslissend. Uitspraak, §2.3.
Hoofdhuurder zijn beantwoordde de belangrijkste vraag niet
De verdachte verklaarde dat een ander een achterste gedeelte van de bedrijfsruimte gebruikte en dat met tussenwanden had afgescheiden. Als die lezing klopte, kon dat gedeelte aan zijn waarneming en macht zijn onttrokken. De oorspronkelijke indeling was na de explosie, brand en blus- en bergingswerkzaamheden niet meer goed te reconstrueren. De informatie in het dossier sprak elkaar op onderdelen tegen.
De rechtbank kon zijn lezing daarom niet eenvoudig terzijde schuiven. Sommige onderdelen vonden bovendien steun in technisch onderzoek dat later beschikbaar kwam. Dat bewees niet dat ieder onderdeel van zijn verhaal juist was. Het verhinderde wel dat het hoofdhuurderschap zonder verdere onderbouwing als bewijs van kennis van alle activiteiten in het pand kon dienen.
Hier zit de kern van de vrijspraak. Een huurcontract is een duidelijk aanknopingspunt om iemand te onderzoeken. Voor een veroordeling moet vervolgens blijken welk verband die persoon had met de ten laste gelegde handelingen. In een gedeelde bedrijfsruimte zijn toegang, gebruik en kennis geen vanzelfsprekend identieke grootheden. De rechter moest dat verband in het bewijs kunnen terugvinden.
Dat lukte niet. Onderzoek aan telefoons, afgeluisterde gesprekken, een politie-informant, camerabeelden en getuigenverklaringen hadden geen direct bewijs van de vereiste wetenschap opgeleverd. Ook gezamenlijk konden de bekende feiten volgens de rechtbank de conclusie niet dragen dat de verdachte wist of moest weten van de bewerking van procaïne. Uitspraak, §2.3, onder ‘Wetenschap van de verdachte?’ en ‘Eindconclusie’.
De geur en de telefoon maakten het dossier niet sluitend
Een acetongeur zou een aanwijzing kunnen zijn dat een gebruiker van het pand iets had moeten opmerken. Maar de verklaringen over de geur liepen uiteen, zowel wat betreft de plaats als het tijdstip. De brandweer was een week voor de explosie na een melding over acetongeur ter plaatse geweest en had toen niets waargenomen. Verklaringen over personen en voorwerpen waren bovendien niet steeds specifiek genoeg of op de verdachte gericht. De stap van een waarneembare geur naar wetenschap bij deze verdachte kon daarmee niet worden gezet.
Ook zijn eigen verklaringen waren problematisch. De rechtbank stelde vast dat hij onder meer had gelogen over het vernielen van zijn telefoon in België. Daarin konden aanwijzingen staan voor contacten met personen die op grote schaal in hasj handelden. Die leugen maakte hem als verdachte bepaald niet onbelast. Zij bewees echter nog niet dat ook zijn verklaring over de indeling van het pand onjuist was, of dat hij wist van de activiteiten achterin.
Dat is een belangrijk onderdeel van de motivering. De rechter hoefde de verdachte niet in alles te geloven om hem vrij te spreken. Ook een verdachte die over andere zaken onwaarheid heeft gesproken, mag verlangen dat de beschuldigingen waarvoor hij terechtstaat worden bewezen. Uitspraak, §2.3.
Wat het vrijspraakverweer opleverde
Scheffer vroeg namens zijn cliënt vrijspraak van alle beschuldigingen. Het OM vroeg zelf ook vrijspraak van het opzettelijk veroorzaken van de ontploffing. Het verschil tussen beide standpunten zat in de overige beschuldigingen, waaronder de gestelde betrokkenheid bij drugsgerelateerde activiteiten en het door schuld veroorzaken van de explosie. Daarvoor wilde het OM wel een veroordeling.
De rechtbank kwam uiteindelijk tot de door de verdediging bepleite integrale vrijspraak. De motivering maakt duidelijk hoe verstrekkend die uitkomst is: ook de belastende omstandigheden, in onderlinge samenhang bekeken, waren onvoldoende om de vereiste wetenschap vast te stellen. Het hoofdhuurderschap, de verklaringen over geur en de leugen over de telefoon vulden dat ontbrekende onderdeel niet in. Uitspraak, §2.1–2.3 en §4.
Dat geeft deze zaak betekenis buiten de onmiddellijke uitkomst. Bij gedeeld gebruik van een pand kan een formele positie gemakkelijk het uitgangspunt van het hele verhaal worden. Het vonnis dwingt tot een preciezere vraag: welk bewijs verbindt deze gebruiker met deze activiteiten? De verdediging vroeg om volledige vrijspraak; de rechtbank vond de noodzakelijke verbinding onvoldoende aangetoond.
De vrijspraak laat het verlies van de slachtoffers bestaan
Voor de slachtoffers maakt die uitkomst hun verlies niet kleiner. De rechtbank erkende uitdrukkelijk hun leed en schade. Omdat de verdachte werd vrijgesproken, kwamen hun schadevorderingen in deze strafzaak niet aan een inhoudelijke beoordeling toe. Zij werden niet-ontvankelijk verklaard. Daarmee is niet beslist dat de slachtoffers geen schade hebben geleden.
Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven; die hechtenis was eerder al geschorst. Een eventueel hoger beroep is bij het samenstellen van deze bespreking op 29 oktober 2026 niet vastgesteld. De beschreven uitkomst is dus de vrijspraak in eerste aanleg. Uitspraak, §3.2–4.
De omvang van de ramp verklaart waarom deze zaak zoveel aandacht krijgt. Voor de beoordeling van deze verdachte bleef één vraag doorslaggevend: wat kon worden bewezen over zijn wetenschap van de activiteiten in de bedrijfsruimte? Wie de vrijspraak wil begrijpen, moet naar die ontbrekende verbinding kijken. De ernstige gevolgen konden haar niet vervangen.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Strafrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →