Rechtspraak Redactionele analyse
Susanna Boon: waarom het hof zonder de late ooggetuigenverklaring wél veroordeelt
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Uitspraakdatum
- 29 oktober 2026
- Vindplaats
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3027 ↗
In april 2025 sprak de rechtbank de toenmalige partner van Susanna Boon vrij van haar dood. Op 29 oktober 2026 veroordeelde het gerechtshof Amsterdam hem voor doodslag tot elf jaar gevangenisstraf. Wie de omslag wil begrijpen, moet verder kijken dan het bestaan van een tweede rechterlijk oordeel. Het hof gebruikt de late verklaring van de jongste dochter juist níét als bewijs. De veroordeling rust op de samenhang tussen andere belastende omstandigheden en het ontbreken van een verklaring die die samenhang volgens het hof kon ontzenuwen.
Dat maakt het arrest bijzonder, maar ook gevoelig voor misverstanden. Een zwijgende verdachte is niet daardoor schuldig. Een onbruikbaar geachte getuigenverklaring hoeft geen bewuste leugen te zijn. En een gevangenisstraf van elf jaar betekende hier niet dat de man onmiddellijk werd vastgezet. Deze drie onderscheidingen zijn nodig om de uitspraak zorgvuldig te bespreken. Het arrest van 29 oktober 2026.
Dezelfde centrale beschuldiging, een andere bewijswaardering
Susanna Boon werd op 9 januari 2016 door haar partner als vermist opgegeven. Volgens hem was zij na een ruzie in de nacht van 7 op 8 januari hun woning in Amsterdam uitgelopen. Op 29 maart 2016 werd haar lichaam gevonden in het Zandenbos bij Nunspeet. Pathologisch onderzoek wees op dodelijk geweld op de hals. Het exacte tijdstip van overlijden kon niet worden vastgesteld.
De rechtbank zag in 2025 meerdere belastende omstandigheden. De relatie was slecht, de verdachte kende de omgeving van de vindplaats en hij was op de dag na de verdwijning een aantal uren telefonisch onbereikbaar. Ook zijn gedrag na de vermissing riep vragen op. Toch vond de rechtbank het bewijs, gezamenlijk beoordeeld, onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat hij haar had gedood.
Daarbij woog mee dat uitgebreid forensisch en technisch onderzoek geen concrete aanwijzingen voor zijn betrokkenheid bij de levensberoving had opgeleverd. De rechtbank noemde onder meer onderzoek in de woning, de boxruimte en zijn bedrijfsauto, DNA-onderzoek, gegevensdragers, reisgegevens en camerabeelden. Ook de onzekerheid over het tijdstip van overlijden bleef van belang. Het vonnis van 22 april 2025, bewijsbeoordeling.
Het hof komt bij een eigen beoordeling tot een andere slotsom. Dat verschil laat zich niet samenvatten als een correctie van één vergeten detail. Het arrest werkt uit waarom de combinatie van vindplaats, kleding, tijdlijn en gedragingen volgens het hof zo belastend is dat het alternatieve scenario van een onbekende dader niet overeind blijft.
De verklaring van de dochter droeg de veroordeling niet
De jongste dochter legde in 2023 een verklaring af waarin zij beschreef haar vader bij de verwurging van haar moeder te hebben gezien. De rechtbank gebruikte die verklaring in 2025 niet voor het bewijs. Ook het hof vindt haar onvoldoende betrouwbaar om haar te gebruiken. Zelfs de advocaat-generaal in hoger beroep baseerde de bewijsredenering niet op deze verklaring.
Het hof bespreekt de verschillen tussen eerdere verklaringen, het verstreken tijdsverloop en mogelijke beïnvloeding. Ook betrekt het de conclusies van de rechtspsychologisch deskundige, die de mogelijkheid van een pseudo-herinnering niet uitsloot. Tegelijk zegt het hof dat het op zichzelf geen reden heeft om te twijfelen aan haar oprechte bedoeling om bij te dragen aan de waarheidsvinding.
Dat is een wezenlijke begrenzing van het oordeel. De rechter beoordeelt of een verklaring voldoende betrouwbaar is om een strafrechtelijke veroordeling op te steunen. Daarmee wordt niet vastgesteld dat de dochter bewust een onwaar verhaal vertelde. Voor nabestaanden kan juist dat verschil van groot belang zijn: een afwijzend bewijsoordeel over een verklaring is geen ontkenning van hun verlies of van de ernst van wat hun is overkomen.
De omslag naar een veroordeling moet dus elders worden gezocht. Een bericht dat de indruk wekt dat het hof haar late verklaring alsnog als beslissende ooggetuigenverklaring aannam, zou de kern van het arrest missen. Arrest, bruikbaarheid van de verklaringen.
Wat vindplaats, kleding en tijdlijn aan de redenering toevoegen
De vindplaats was volgens het hof een moeilijk toegankelijke plek waarvoor kennis van de omgeving van belang was. Verschillende getuigen verklaarden over de bekendheid van de verdachte met het gebied, waar hij vaker kwam om te vissen. Het hof vond het daarom belastend dat het lichaam juist daar was verborgen, ver van de Amsterdamse woning.
Daarnaast werd Susanna aangetroffen in andere kleding dan haar partner bij de vermissing had opgegeven. Op die kleding zaten kattenharen die het NFI vergeleek met haren uit de stofzuigerzak van de gezamenlijke woning. De uitspraak vermeldt dat de bevindingen 10.000 tot 100.000 keer waarschijnlijker waren als de haren van katten uit die woning kwamen dan van willekeurige andere katten. Het hof betrok dit bij zijn conclusie dat de kleding uit hun woning afkomstig was.
Zo'n verhouding is geen percentage dat aangeeft hoe waarschijnlijk het is dat de verdachte schuldig is. Zij gaat over de vergelijking van verklaringen voor de aangetroffen haren. Vervolgens moet worden beoordeeld wat die herkomst betekent voor de scenario's in de zaak. Het hof vond dat het scenario van een onbekende die Susanna na haar vertrek uit de woning doodde, niet verklaarde waarom zij later in andere kleding uit die woning werd gevonden.
Ook de telefoonperiode kreeg betekenis. De verdachte was op 8 januari tussen ongeveer 12.15 en 15.09 uur niet bereikbaar. Volgens het hof bestond binnen dat tijdvak de gelegenheid om naar de vindplaats te rijden en zijn dochter daarna op tijd van school te halen. Dat is iets anders dan een met reisgegevens bewezen rit. Het arrest gebruikt de mogelijkheid binnen de tijdlijn als onderdeel van de gezamenlijke bewijsredenering.
| Onderdeel | Betekenis die het hof eraan geeft | Wat daaruit niet afzonderlijk volgt |
|---|---|---|
| Bekendheid met de vindplaats | De verdachte kende juist het afgelegen gebied waar het lichaam lag | Dat iedere bekende van het gebied de dader moet zijn |
| Andere kleding en kattenharen | De kleding wordt verbonden aan de gezamenlijke woning | Een rechtstreeks bewijs van de verwurging zelf |
| Periode van onbereikbaarheid | Er bestond tijd om de rit te maken | Dat de rit daarmee technisch is vastgesteld |
| Geen bruikbare late ooggetuigenverklaring | Die verklaring blijft buiten de bewijsredenering | Dat een veroordeling op andere bewijsmiddelen onmogelijk is |
Het gewicht zit volgens het hof in de onderlinge samenhang. Wie alleen losse verdachte gedragingen opsomt, laat de noodzakelijke stap tussen een opvallende omstandigheid en een bewezen beschuldiging liggen.
Het zwijgen krijgt betekenis binnen het al aanwezige bewijs
De verdachte beriep zich ook in hoger beroep op zijn zwijgrecht. Het hof stelde hem concrete vragen over onder meer de ruzie, zijn verblijfplaats in het genoemde tijdvak, de kleding, de vindplaats en zijn gedrag na de vermissing. In de eindconclusie speelt het ontbreken van antwoorden op die vragen een grote rol.
Een concreet voorbeeld is het opzeggen van Susanna's FNV-lidmaatschap op 14 januari 2016. De verdachte verklaarde dat dit een suggestie van Slachtofferhulp was. Het hof stelde daartegenover dat zijn eerste contact met die organisatie pas op 15 januari plaatsvond. De uitleg paste dus niet bij de vastgestelde volgorde. Ook het kort daarna gaan samenwonen met een andere vrouw werd bij de beoordeling betrokken.
Het verschil met de rechtbank wordt hier zichtbaar. De rechtbank vond de onderzoeksbevindingen gezamenlijk nog onvoldoende redengevend om een ontzenuwende verklaring te verlangen. Het hof vond de combinatie juist sterk genoeg om bij het ontbreken daarvan tot een veroordeling te komen. Daarmee verschilde de beoordeling van de belastende omstandigheden; het zwijgen was geen zelfstandig vervangmiddel voor ontbrekend bewijs.
Dat onderscheid verdient aandacht in iedere uitleg van dit arrest. De bewijsvraag bleef of de beschuldiging wettig en overtuigend kon worden vastgesteld. De concrete motivering moet laten zien waarom het hof de samenhang doorslaggevend vond. Een algemene bewering dat iemand zijn onschuld maar moet bewijzen, geeft deze beslissing niet zorgvuldig weer.
Doodslag, strafkorting en gevangenneming zijn verschillende beslissingen
Het hof vond voorbedachte raad niet bewezen. Het kwam tot doodslag, niet tot moord. Ook de advocaat-generaal had in hoger beroep vrijspraak van de voorbedachte raad gevraagd. De kwalificatie is dus geen bijkomstig woordverschil: zij beschrijft wat wel en niet bewezen is.
Het hof vond twaalf jaar gevangenisstraf in beginsel passend. Daarbij gold de maximumstraf voor doodslag die ten tijde van het feit in 2016 van toepassing was. Vervolgens verminderde het hof de straf met één jaar wegens de zeer lange overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. De rechtbankprocedure duurde ongeveer negen jaar; het hof stelde een overschrijding van ongeveer zeven jaar vast. Zo kwam het uit op elf jaar.
Daarnaast wees het hof de gevraagde onmiddellijke gevangenneming af. Als uitgangspunt mocht de verdachte zijn proces in vrijheid afwachten. Het hof zag onvoldoende aanleiding om daarvan af te wijken. Volgens het arrest kan de gevangenisstraf daarom pas worden uitgevoerd als de uitspraak onherroepelijk is. Een eventueel cassatieberoep is bij het schrijven van deze bespreking niet vastgesteld. ‘Elf jaar cel’ en ‘vandaag vastgezet’ zijn in deze zaak dus verschillende mededelingen.
Ook de positie van de nabestaanden verdient een precieze uitleg
In de rechtbankprocedure werden nabestaanden bijgestaan door onder anderen Richard Korver. Het vonnis van 22 april 2025 noemt hem als advocaat van een benadeelde partij en als vertegenwoordiger van andere nabestaanden. Dat maakt zijn betrokkenheid bij die eerdere procesfase controleerbaar. Het arrest van 2026 noemt de advocaten niet bij naam. Het vonnis in eerste aanleg.
De strafrechtelijke veroordeling leidde in hoger beroep niet tot toewijzing van de besproken shockschadevordering. Het hof erkende de grote psychische gevolgen voor de dochter, maar vond de voor die vordering vereiste confrontatie niet vastgesteld. Het ontbreken van een wettelijke grondslag voor deze specifieke schadepost werd daarmee apart beoordeeld van het bewijs van de doodslag. Verdriet, psychische gevolgen en de voorwaarden voor een bepaalde schadevordering vallen juridisch niet volledig samen.
Daar ligt ook het belang van bijstand aan nabestaanden in een langdurige zaak: hun stem in het proces, de onderbouwing van hun afzonderlijke aanspraken en uitleg over beslissingen die uiteen kunnen lopen. De erkenning van hun verlies in de strafmotivering maakt een afwijzend schadeoordeel niet minder ingrijpend. Een serieuze bespreking moet beide zichtbaar houden.
De bijzondere betekenis van dit arrest zit uiteindelijk in wat het uit elkaar houdt. De late verklaring blijft buiten het bewijs, terwijl het overige materiaal volgens het hof wel een veroordeling draagt. De doodslag wordt bestraft, de shockschadevordering afgewezen en onmiddellijke gevangenneming geweigerd. Juist die combinatie maakt de uitspraak inhoudelijk rijker dan een kop over de overgang van vrijspraak naar elf jaar cel.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Strafrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →